Wednesday, February 21, 2007

Zeeziek in de delta

"Now we gonna get down on a litte Mississippi threestringed trance boogie"



De blues van Karen Dalton vergelijken met die van Seasick Steve is zinloos. Waar Dalton kiest voor trage, breekbare country gaat Seasick voor de vettige, electrische variant van het genre. Denk aan de lieden uit de Fat Possum stal met R.L Burnside,T-Model Ford en Junior Kimbrough op kop. Het leven heeft Seasick alle ingrediënten meegegeven om de blues in elke porie van zijn lijf te voelen. Geboren in de Mississippi delta. Ouders gescheiden toen hij vier jaar was. Van huis weggelopen toen hij viertien was. In de gutsende regen onder een kartonnen doos slapen is hem niet vreemd. In Amerika trok hij van staat tot staat door op te trekken met zwervers en op de zgn. freighttrains te springen. Voor hij als professioneel muzikant de kost kon verdienen wisselde hij klotejobs af met een bestaan als straatmuzikant. Op straat spelen is iets wat hij, uit nederigheid, nog steeds af en toe doet. "Een mens mag niet vergeten waar hij vandaan komt."
Nu, de legende wil, dat niemand ooit van de man gehoord zou hebben mocht hij afgelopen oudejaar niet te gast zijn gevraagd voor het BBC programma Jools Holland's Hootenanny alwaar hij een verschroeiende versie bracht van zijn 'Doghouse Blues'. Zijn instrumentarium is inmiddels al even spraakmakend als hijzelf:
- Een driesnarige (A, G en B, gestemt in een foute toonaard) Trance Wonder gitaar. Seasick maakt er een punt van bij elke optreden het verhaal te doen van ene Sherman Cooper die hem de gitaar veel te duur (75$) heeft verkocht. Na hij doorhad dat hij te veel geld had betaald voor het instrument zwoer Steve dat hij bij elk optreden het zou hebben over de 'oplichter' Sherman Cooper en dat hij nooit meer dan drie snaren zou gebruiken. Hij blijkt een man van zijn woord.
- De eensnarige Didley-Bo, niet veel meer dan een plank met een snaar erop genageld, gespeelt met een bottle neck slide. Bo Diddley pikte er zijn naam van.
- The Mississippi Drum Machine: een kleine houten doos geschikt voor het betere voetpercussiewerk.

Doe uzelf een plezier en beluister 'Doghouse Music' van Seasick Steve. De wereld wordt er een beetje beter van.

Ma Dalton

"My favorite singer in the place was Karen Dalton. Karen had a voice like Billie Holiday's and played the guitar like Jimmy Reed." - Bob Dylan



In onze grote queeste naar muzikale verlossing, pogen we (we worden al een dagje ouder) nog één keer per jaar een ontdekking te doen waartegen we ons de rest van ons leven kunnen aanschurken. Kanshebber voor 2007 is de inmiddels al veertien jaar geleden overleden blueszangeres Karen Dalton. Dalton, dochter van een volbloed Cherokee moeder, is de tragische muze van net niet heilig verklaarde iconen als Bob Dylan en Nick Cave (Cave's 'When I first came to town' op de plaat Henry's Dream is geïnspireerd door miss Dalton). Ook de nieuwe generatie folkies als daar zijn Joanna Newsom en Devendra Banhart steken hun adoratie niet onder stoelen of banken.

We ontdekten Karen Dalton en de hartverscheurende song 'Katie Cruel' als één van de vele pareltjes op de compilatie 'Original Seeds' uit 1998. Lichte euforie maakte zich van ons meester toen we vernamen dat 'In my own time', het tweede en beste album van madame Dalton dit jaar geremasterd, geföned, geflost en in een welriekend kruidenbad gedompelt zou worden. Ik mag me sinds vorige week de trotse eigenaar van zulk een exemplaar noemen. Sindsdien gaat er geen dag voorbij dat ik minstens één keer het schijfje beluister. 'In my own time' werd opgenomen in de herfst van 1970. Dalton schreef echter de songs niet zelf. Deze werden zorgvuldig geselecteerd door producer/muzikant Harvey Brooks (bassist op Dylan's 'Highway 61 revisited' en Miles Davis' meesterwerk 'Bitches Brew'). Elk nummer is een ware hartenbreker; after hours countyblues gezongen met een rauwe, kapotte en doorleefde stem. Een stem die ergens tussen die van Billie Holiday en Janis Joplin in ligt en doet vermoeden dat Dalton wist wat afzien was. Ze droeg de blues met zich mee, als een zwarte, doffe metalen bal die met een ketting aan haar ziel geketend was. Zoveel is zeker.

Monday, February 19, 2007

General Lee

“Tequila. Straight. There's a real polite drink.”


Als de verhalen kloppen, zou er een geheim vennootschap bestaan dat zich 'The Sons of Lee Marvin' noemt. In hun kleine ledenbestand zouden de namen Tom Waits, Nick Cave, John Lurie en Jim Jarmusch terug te vinden zijn. In Jarmusch' 'Coffee and Cigarettes' hangt er in één van de koffiehuisjes een portretschilderij van Lee Marvin. A dead givaway.

In een lang vervlogen tijd waren filmsterren goden. Ze woonden in een hemel die Hollywood heette en ze waren onsterfelijk. Maar zoals het hemels betaamt liet men er al eens een engel vallen. Eén van hen had staalharde ogen, zilver haar, een baritonstem en heel veel dorst. Hij luisterde naar de naam Lee Marvin. Marvin had alles in huis om de archetypische antiheld te zijn. Zijn sombere, tragische blik zou volgens velen te maken hebben met zijn ervaringen in WOII. Marvin was een sluipschutter in de Amerikaanse marine en op zijn laatste missie zou hij zowat zijn voltallige bataljon zien sterven. Zulke dingen laten sporen na, zelfs als je Lee Marvin heet. Als acteur verzamelde hij een palmares waar klassiekers maar ook stinkers in te vinden zijn. De wraakfilm Point Blank zit in die eerste schuif. De film begint met een montage van beelden die het motief van de wraakactie verhelderen. Walker, het personage van Marvin, wordt voor dood achtergelaten door zijn partner in crime die in één weg ook nog eens zijn liefje inpikt. Zulke dingen laten zijn sporen na. De jacht is open. Wat volgt is naar mijn mening één van de meest stijlvolle films in het genre. Regisseur John Boorman (o.a. 'Deliverance') is dan ook niet de minste en wist zeer goed waar hij naar toe wou met Marvin toen hij hem caste. Schitterende technicolor composities. Minimale hardboiled dialogen. Dubbele plot. U merkt het, een film als 'Point Blank' laat zijn sporen na.

Monday, February 12, 2007

Nachtmerika

“I was trying to come up with a concept about a new society, revolutionary... in political terms, that's taking over and devouring the old society.”
- George A. Romero



Toegegeven, de laatste tijd overkomt het me dat ik op het juiste moment de juiste knop indruk. Vaak is het die van de afstandsbediening. Zo ook de afgelopen nacht. Op ontiegelijke uren willen de limeys weleens ware schatten op de buis zwieren. Om 2u15 zond BBC2 de documentaire 'The American Nightmare' uit. De docu-film zou handelen over hoe de grote horrorklassiekers van de jaren zestig en zeventig de toenmalige politieke en sociale problematiek in America weerspiegelden. Ho maar! Uiteindelijk bleek het allemaal best mee te vallen en werden we vooral getracteerd op sappige anekdotes en fijne verhalen. Zo wist make-up artiest Tom Savini met uitgestreken gezicht te melden dat hij de anatomie van aan flarden geschoten hoofden van Vietcong soldaten nauwkeurig bestudeerde en daardoor een eigen kleine splatter-database in zijn hoofd bijhield. Dat George Romero niet vies is van wat maatschappijkritiek in zijn zombie-reeks te stoppen wist ik wel. Maar de films van Tobe Hooper, Wes Craven en John Carpenter waren voor mij toch vooral fun. En kippevel. En adembenemend in al hun poetische gruwel. Dikwijls gemaakt voor een habbekrats maar toch de juiste knop ingeduwd. En, bovenal, op het juiste moment.

Wednesday, February 07, 2007

Wolkers on the wild side

"Gymnastiek ben ik blijven doen. En wat is het resultaat geweest? Een ongezonde geest in een gezond lichaam."



Jan Wolkers. 's Mans "Terug naar Oegstgeest" en "Een roos van vlees" waren mijn introductie tot de Nederlandse literatuur en tot het vrijgevochten gedachtengoed van de schrijver. Wolkers behoorde tot de 'grote vier' van de na-oorlogse Nederlandse literatuur. Op de hogere schavotten stonden Reve, Hermans en Mulisch. Enkel de laatste heeft me nooit kunnen bekoren. Hoedanook, Wolkers won het qua rock 'n roll gehalte met gemak van de drie anderen. In zijn romans bleek steeds een grote sympathie voor de natuur en in het bijzonder katten. Hoe hij in 'Een Roos van Vlees' zijn liefde voor zijn poes Samuel beschrijft is hartverwarmend. Eveneens tapte hij ook gretig uit het zelfde vaatje als Jan Cremer. Sex en vuile praat waren hem dan ook niet vreemd. Meer aanzet tot lezen heeft een jeugdige puistenkop niet nodig... Maar Wolkers was ook dreiging. Hij had dan ook een blik in zijn ogen die ingehouden razernij deed vermoeden. Razernij die hij dikwijls manifesteerde in zijn strijd tegen de burgerlijkheid en de bureaucratie. Zo weigerde hij in het verleden tal van prestigieuze prijzen enkel en alleen omdat hij niet wilde deelnemen aan de poppenkast en de hypocrisie binnen de literaire beau monde. Waarvoor hulde.
Vanavond was Wolkers te zien in een aflevering van de uitstekende docu-reeks 'Profiel'. We zagen een oud grijs mannetje schuifelen door zijn tuin. De man met de zeis schuifelde duidelijk achter hem aan. Geen dreigende blik meer. Geen vuile praat. Wel schoonheid. Wel bezinning. De schrijver blijkt nog steeds scherp van geest en ad rem. Alleen fysiek bemerkte je een ver gevordere aftakeling. Hij las een zelfgeschreven gedicht voor dat de zinsnede "een voetafdruk die geen echo achterlaat" bevatte. Dat was zijn kijk op het leven. Geen franjes, geen gedoe, geen spijt, geen eeuwigheid. Een voetafdruk die geen echo achterlaat.

Wednesday, January 17, 2007

RIP Alice Coltrane (1937-2007)

“The classical artist must respectfully recreate the composer's meaning. Although, with jazz music, you are allowed to develop your own creativity, improvisation and expression. This greatly inspires me.”



Enkele maanden geleden hadden we het nog over de frêle elf met de harp Joanna Newsom. Vandaag melden we het overlijden van een jazzharpiste die al enkele generaties luisteraars en muzikanten wist te inspireren: Alice Coltrane. Haar naam dankt ze aan haar vierjarig huwelijk met saxofonist John Coltrane. Alice Coltrane maakte vooral verdienste door spirituele Oost-Aziatische klanken in haar muziek te integreren. Ik ontdekte deze grand dame een vijftal jaren geleden op doorreis in Frankrijk richting Spanje toen ik in een piepklein jazzwinkeltje in Bordeaux de ceedee "Journey in Satchidananda" (Impuls, 1970) voor haast geen geld op de kop tikte. Ik kocht er eveneens platen van Pharaoh Sanders, Sun Ra, Archie Schepp, Albert Ayler en John Coltrane. Ik leefde die vakantie in een freejazz buzz en luisterde nauwelijks naar andere muziek. Deze nieuwe, onconventionele arrangementen stimuleerden mijn fantasie mateloos. Ik reed met mijn autootje langs de Spaanse kustlijn met een zondvloed van vrije, wilde klanken op de achtergrond. Mijn fantasie sloeg op hol. Ik waande me een kruising tussen Hunter S. Thompson en Dean Moriarty. Nu, eenderwelke muziek die in staat is me op een hoger platform te tillen is voor mij tijdloos. Of het nu Miles Davis of Black Flag is: het is muziek die op een gegeven tijdstip in mijn leven even cruciaal was als de lucht die ik inademde en daardoor altijd van belang zal zijn.

Sunday, December 17, 2006

Dirty Shane

"The British press have been giving me six months to live for the past twenty years - they must be getting pissed off interviewing me by now."



Eergisteren kreeg ik een compilatie-cd van The Pogues cadeau. Inmiddels heb ik het schijfje al een achttal keren integraal beluisterd en zelden ben ik zo vervuld geweest van melancholie. The Pogues was een groep die een anderhalf decennium geleden hoog aangeschat werd in het studenten- en fuifmilieu. Muziek waar je een kater van overhield. Muziek die aanzette tot dansen én tot drinken. Frontman Shane McGowan was het anti-idool bij uitstek. Rebel, charltan en doorwinterd alcoholieker. Maar dit weekend werd nog maar eens duidelijk dat in McGowan ook in begenadigd songschrijver en dichter verscholen zat. De legende wil dat de mens al vanaf zijn tiende aan de whiskey zit. Of dit waar is laat ik in het midden maar recente foto's van het wrak dat de man nu is doen het me graag geloven. McGowan werd in 1976 een instant icoon bij de Londense punkers nadat een jongedame zijn oorlel had afgebeten tijdens een Clash optreden aldaar. Het was de combinatie van Ierse traditionals en Britse punk die hem het sterrendom bezorgden. De combinatie drugs en alcohol namen het hem nadien weer zonder pardon terug af. Maar we dragen hem en zijn muziek nog steeds in het hart en hopen dat zolang er feesten zijn, The Pogues door de speakers zullen knallen met krakers als 'Fiesta', 'Dirty Old Town', 'The Irish Rover' en 'Streams of Whiskey'. Here's to you Mac!

De Youth van tegenwoordig

Teenage riot in a public station
Gonna fight and tear it up in a hypernation for you




Waarom ik na 15 jaren nog steeds bezeten ben van Sonic Youth? Omdat ze zo een beetje de dinosaurussen zijn geworden van de alternatieve rockmuziek. Nog steeds tijdloos, vernieuwend, onvoorspelbaar, pretentieloos en... ze hebben een bassiste die Kim Gordon heet. 'We're Sonic Youth from New York and we haven't slept in five days', wist Thurston Moore een uitverkochte Hallen van Schaarbeek te vertellen. Naar alle waarschijnlijkheid lichtjes overdreven want het concert was vlekkeloos. Eigenlijk iets te vlekkeloos voor Sonic Youth. Ook iets te veel recente nummers. Hun laatste platen 'Sonic Nurse' en 'Rather Ripped' mogen er best zijn maar we waren niet de enigen die nog steeds zweren bij de heilige drievuldigheid 'Goo', 'Daydream Nation' en 'Dirty'. Kippevel: als toegift volgde het machtige 'Teenage Riot' en drieduizend bezoekers gingen uit hun dak. Na het concert had ik het geluk de groep te ontmoeten. Met Lee Ranaldo had ik al eerder het genoegen gehad kennis te maken maar tot mijn geruststelling bleken ook de drie andere leden uiterst sympathiek te zijn. En ja, ik heb Kim Gordon in de ogen gekeken. Ik herinner me dat je eind jaren tachtig / begin jaren negentig of verliefd was op Kim Gordon of op Kim Deal. Bij mij was het zelfs zo erg dat een liefje uit die periode zelfs fysiek leek op Kim. Ik vraag me af hoe het met haar zou zijn.

Waits Triple


"I don't have a drinking problem 'Cept when I can't get a drink."

Wie nog verlegen zit om een kerstcadeau kan ik van harte de driedelige box 'Orphans' van Tom Waits aanbevelen. Drie cd's ingedeeld in 'Brawlers', 'Bawlers' en 'Bastards'. Ik ben er nog niet toe gekomen om de laatste, een verzameling van spoken word en rarities, te beluisteren maar 'Brawlers' en 'Bawlers' zijn een feest! Waits heeft namelijk zijn kluis leeggemaakt en deze aangevuld met enkele nieuwe opnames. Het openingsnummer 'Lie to me' is een onvervalste juke joint stomp waarbij, in sommige middens, de stoelen aan de kant worden gezet. Negen tracks later komen we dan weer terecht bij een politiek getint nummer, "The Road to Peace' waar Waits met hulp van een krantenartikel erop wijst dat idealisme en vooral het fanatiek fundamentalistche soort geen al te beste gidsen zijn. En voorts is het vooral vintage gegrom, industriële percussie, Marc Ribot riffs en rock 'n roll zoals de heer het heeft bedoelt. Een heerlijk universum om in te vertoeven als je aan het afwassen bent met een glas vodka binnen handbereik. Maar ik durf er voor te wedden dat het drieluik ook werkt bij een tupperware party, tijdens het breien van een sjaal of het verwekken van een baby. Maar we wijken af...

Children of the Zorn


You can't be idealistic in this world and not be crazy.


Het moet ergens midden jaren negentig geweest zijn toen ik de New Yorkse freejazz goeroe John Zorn aan het werk zag in de AB. Het was in die periode dat ik, vreemdgenoeg door invloed van punk, in jazz als muziekvorm geïntresseerd raakte. Vooral als je moet concluderen dat jazz en vooral freejazz meer punkattitude in zich draagt dan het het genre zelf. Vreemd maar waar. Want jazz is, op muzikaal vlak, zwaar buiten de lijntjes kleuren. Anarchie met ambachtelijke precisie en doeltreffendheid. Twee weken geleden zorgde Zorn voor een kleine rel bij zijn nog steeds talrijk legertje adepten. In Brussel kwam hij zijn Moonchild-project voorstellen met goed volk als Mike Patton, Joey Baron en Trevor Dunn in de gelederen. Nu, wat velen over het hoofd hadden gezien is dat Zorn dit stuk heeft gecomponeerd maar er geen enkele noot op meespeelt. Grote consternatie dus toen bleek dat de meester niet aanwezig was op het podium. Resultaat: Boegeroep en gefluit achteraf. Nu ja, stiekem hoopte ik zelf ook wel dat hij, al was het maar voor even, zijn sax bovenhaalde maar de mens heeft nu eenmaal de reputatie eigenwijs te zijn en toegiften zijn voorbehouden voor popmuziek. Iets waar dit mijlenver vanaf staat.

don't get mad, get Evens

cut from the cloth
and death to the masses


Het blijft wennnen,The Evens, het (inmiddels niet meer zo) nevenproject van Ian MacKaye en zijn wederhelft Amy Farina. De songs zijn zeker boven de middenmaat maar er is nog steeds het gevoel dat MacKaye speelt met de handrem op. Dit heeft vooral te maken met zijn vorige groepen zijnde Minor Threat en (het nog steeds op non actief staande) Fugazi. Beide bands zijn van onbeschrijfelijk belang geweest in mijn tienerjaren en zijn dat, op een ander niveau, nog steeds. Alles wat MacKaye uitbracht was de perfecte soundtrack bij boosheid, onbegrip, isolement en woede. Dagelijkse kost als puper maar de muziek kan vandaag de dag nog steeds mijn adrenalinepeil de hoogte injagen. Nu, terug naar The Evens. Vorige maand is hun tweede plaat 'Get Evens' verschenen en, oh joy, er zit veel vitriool in de nummers. Dit met dank aan de cowboypresident van het containerpark dat we kennen als Amerika. Soms expliciet als in 'Dinner with the president' en 'Everybody knows you are a liar'. Bijna de helft van de nummers gaat over het gebushte. Muzikaal is er ook een sprong gemaakt. Hun debuutplaat uit 2004 was meer ingetogen en rechtlijniger dan 'Get Evens'. Hier zijn de nummers grilliger en een pak ritmischer dan zijn voorganger. De inscriptie in het cd-hoesje luidt 'To all new arrivals'. Daar drinken we op!

Friday, November 10, 2006

Jello schopt keet

"For every prohibition you create you also create an underground."

Gisterenavond werden we nog eens geconfronteerd met 'waardig ouder worden'. Ditmaal in de carnatie van de politiek incorrecte punker op leeftijd Jello Biafra. De gewezen Dead Kennedy begon zijn act met een ludieke maar sombere kijk op de toekomst. Hij kwam op in zwarte cape en zonnebril en scandeerde allerlei akelige slogans waaruit af te leiden viel dat als conservatief Amerika zijn machtswellust doorduwt, het een erg grimmig feestje zal worden op deze planeet. What else is new. Gemakkelijk scoren. Maar na deze intro begon het echte galspuwen. Biafra beet, blafte, gromde en schopte tegen alles wat er mis is met onze wereld, een bodemloos vat van onderwerpen dus. De man heeft nog steeds hetzelfde vlijmscherpse observatievermogen wat DK songs als 'Holiday in Cambodya', 'California über alles' en 'Too drunk to fuck' destijds zo memorabel maakten. We blijven onvoorwaardelijk fan.

Give me hope Joanna

Now in the quiet hour when I am sleepin'
I cannot keep the night from comin' in


Het overkomt me steeds minder maar af en toe wordt ik nog eens van m'n sokken geblazen op een muziekfestival. De laatstse keer dat het me overkwam was drie jaar geleden op pukkelpop. In de meest bescheiden tent zat een kleine elf met een gigantische harp tussen haar benen. De muziek die ze maakte was breekbaar en betoverend. De dag nadien stond ik bij de platenboer 'The Milk-eyed Mender' te bestellen, het debuutalbum van Joanna Newsom. De plaat ligt me nog steeds erg nauw aan het hart.

Joanna Newsom speelt al harp sind haar zevende (!) en perfectioneerde zich in het keltische instrument. Naderhand combineerde ze deze stijl met de west-afrikaanse techniek en creërde dusdanig een heel eigen klankspectrum. Na verloop van tijd ontsond er een gelijkaardige passie voor tekst en zang. Ze experimeerde met haar stem met dezelfde gedrevenheid als voordien met het harpspel.
Sinds vorige week ligt haar tweede wapenfeit 'Ys' (spreek uit: jies) in de rekken. Voor deze plaat wist Newsom hip volk als Steve Albini, Jim O'Rourke en Van Dyke Parks te strikken voor de productie. Het resultaat is tegelijk fragiel en zoals de hoes doet vermoeden, theatraal. De kraakstem van Newsom is volwassener dan op zijn voorganger. 'Ys' is met vijf nummers, waarvan het kortste afklokt op een dikke zeven minuten, een duidelijk statement. Ze wil van haar prog-freak-folk of 'avant-medieval' imago af en hierin slaagt ze met glans. De tektsten zijn nog steeds ondoorgrondelijke sprookjes maar daarom niet minder adembenemend. Af en toe gaat het een beetje richting Kate Bush zonder daarbij uit de bocht te gaan. Ze laat hoogstens een krasje achter op de vangrail.

Wednesday, November 08, 2006

Build my gallows high, baby


"My feelings? About ten years ago, I hid them somewhere and haven't been able to find them."


Kleurloos. Normaal gezien een woord dat geassocieerd wordt met saaiheid. Maar net het totale ontbreken van kleur kan je perceptie vaak ook verscherpen. Je aandacht wordt opgelost in het verrassend rijke schaduwpalet dat zich huisvest tussen licht en donker. Enter de film noir, een genre dat de laatste weken weer hevig opflakkerde met de release van 'The Black Dahlia', de Brian De Palma verfilming van het gelijknamige boek van James Ellroy.

"You're like a leaf that blows from one gutter to another." Wie net als ik een lichte euforie ervaart bij het aanhoren van dergelijke hardboiled quotes zal het erg naar zijn zin hebben bij het bekijken van 'Out of the Past', een noir klassieker uit 1947. Zelden waren de leepogen van Robert Mitchum leper als in de kassen van Jeff Bailey, een pompbediende die willens nillens geconfronteerd wordt met gespuis uit zijn verleden als detective. Voor ons blijft Mitchum voor altijd 'the preacher' uit 'Night of the Hunter' maar in 'Out of the Past' weet hij zeker te overtuigen als de gewiekste ex private eye. Femme fatale van dienst is de voor mij onbekende Jane Greer die er maar niet in slaagde om ons de opgetrokken wenkbrauw van Veronica Lake te doen vergeten. Kirk Douglas is duidelijk in zijn hum als onophoudelijk grijnzende bad guy Whit Sterling.

Volgens mensen die het kunnen weten is 'Out of the Past' een genrevoorbeeld van de film noir. Als leek weet je meteen waarom. Alle ingrediënten zijn nadrukkelijk aanwezig: norse, sigaretrokende types in trenchcoats. De obligatoire voice-over. De niet te vertrouwen maar tevens niet te weerstane femme fatale. Het verbale gescherm. De jazz. De straatlampen. De gevallen engel. Schuld. Boete. Moord. Passie. Dit alles wordt door regisseur Jacques Tourneur gemixt tot een bruisende molotov van intriges. Dat het eindigt in miserie weet je al voor de begingeneriek. Na de eindgeneriek vind je het vooral sympathiek van de scenarist dat de doofstomme jongen gespaard bleef. Hij zag er zelfs een beetje gelukkig uit... en dat voor een film noir. Desalniettemin: vermoedelijk zal ik vroeg of laat 'The Black Dahlia' zien en zo goed als zeker zal ik heimwee krijgen naar 'Out of the Past'.

M Ward: troebadour van het hart

I sailed a wild, wild sea
climbed up a tall, tall mountain
I met a old, old man
beneath a weeping willow tree
He said now if you got some questions
go and lay them at my feet
but my time here is brief
so you'll have to pick just three



Een maand geleden waren we nog vol lof over '5:55' van Charlotte Gainsbourg, die de herfst van 2006 van muziek voorzag. Deze kan nu weer eventjes de kast in want met 'Post War' heeft de singer-songwriter M. Ward een handvol liedjes bij elkaar gesprokkeld die de ontbrekende link vormen tussen de ontroerende eenvoud van wijlen Nick Drake en de woestijnmelancholie van Giant Sand (à propos, Howe Gelb is één van de callaborateurs op de plaat).
'Post War' is M. Wards zesde album en hiervoor ging hij ter inspiratie op zoek naar na-oorlogse muziek van de jaren '40 en '50. Alle nummers hebben een zalige fifties feel die de rasperige, diepe stem van Ward alleen maar ten goede komt.Tot op heden ben ik er nog niet in geslaagd om de twaalf tracks te beluisteren terwijl ik met iets anders bezig was. De plaat eist totale aandacht. Elke song heeft tentakels die je vastgrijpen en pas loslaten als de laatste snaar bespeeld en de laatste noot gezongen is. Oh ja, hier worden we behoorlijk lyrisch van op dit uur van de avond.
"She said if love is a poison cup then drink it up" zingt hij in het openingsnummer. Het lijkt ons een beter alternatief dan het flesje geïmporteerd bier dat op dit moment naast ons staat lauw te worden.

Sunday, October 29, 2006

Lady in the Lake


"I wasn't a sex symbol, I was a sex zombie."


De film: "Sullivans Travels" van Preston Stuges. Een satire uit 1941 over een regisseur van komedies die een sociaal drama wil maken over armoede. Omdat hij meer kennis wil opdoen over de materie besluit hij, vermomd als zwerver, op te trekken met daklozen en bedelaars. Al gauw vindt hij een bondgenote in een jonge actrice die maar niet aan de bak lijkt te komen... Dit was één van de eerste grote rollen voor de toenmalige diva in the making Veronica Lake. Deze blonde vamp was en is dè natte droom van film noir liefhebbers. Een gracieuze verschijning met een uitgesproken duister kantje. Ze bezat de gave om elke zin die over haar lippen rolde iets nonchalants sexy mee te geven. Waarvoor wij haar erg dankbaar zijn, dat spreekt voor zich.

Pin-up girl Lake is nog steeds een boegbeeld van femmes fatales over de hele wereld. Bette Davis bescheef haar als "the most beautiful person who ever came to Hollywood." Lake was geboren in Brooklyn en woonde voor haar twintigste in Miami, Florida en Canada. Haar naam was een hersenspinsel van Paramount producent Arthur Hornblow: ""When I think about Veronica, I think about classic, and her beauty is a classical beauty, and Lake after her blue eyes." Haar handelsmerk was de 'peek-a-boo hairstyle', die nadien wereldwijd geïmiteerd werd: een lok lange blonde haren die schalks over het rechteroog gedrapeerd hing. Bekendste imitatie van deze haardracht staat op naam van ms. Jessica Rabbit.

Ergens midden jaren vijftig viel Lake ten prooi aan de tol van Hollywood en raakte op de sukkel na een reeks mislukte huwlijken en een alcoholverslaving. Ze belande uitgeblust in goedkope hotels in Brooklyn, waar ze om de haverklap gearresteerd werd voor openbare dronkenschap en wangedrag. Het ovematige alcoholgebruik had ook haar mentale gezondheid zwaar schade toegebracht. Ze bracht haar laatste levensdagen alleen door in een ziekenhuis in de buurt van Vermont. Ze kreeg er geen bezoek. In 1997 werd er in de filmadaptatie van de James Ellroy roman 'LA Confidential', met de rol van Kim Basinger, een klein eerbetoon gebracht aan het Amerikaans icoon.

Wednesday, October 25, 2006

Gloomy tuesday

keep all your crows away
hold skinny wolves at bay
in silver piles of smiles
may all your days be gold my child

Wie gisterenavond in de Brusselse AB aanwezig was, was of één van de vele liefkozende paartjes of één van de einzelgängers die zich vaagweg nog iets konden voorstellen bij al dat intens gefleem. In deze mensentuin zagen we twee imposante balorkesten ten dans spelen. De muziek die ze speelden was het equivalent van vallende bladeren.
De eerste was Sol Seppy. Sol Seppy is eigenlijk Sophie Michalitsianos, een dame voorzien van een hartverwarmend stemgeluid. Haar nummers gaan van sobere pianobalades tot dreigende uithalen waar gitaar en drumcomputer promintent aanwezig zijn en waar de geest van Cocteau Twins nooit veraf is. Haar begeleidingsgroep was nog niet goed genoeg gerodeerd en zat er af en toe eens naast maar de heerlijk naïeve bindteksten van Sofie hadden ons al lang ingepakt.
De groep waar iedereen voor gekomen was, is eigenlijk één persoon met band. Die persoon is multi-instrumentalist, zonderling, kluizenaar en (inmiddels ex-) heroïnejunk Mark Linkous. De groep is Sparklehorse. Linkous' songs lopen over van de melancholie met surreële, tussen droom en nachtmerrie zwevende teksten. Sparklehorse nummers gaan over hemellichamen, lachende baby's, tijgerharten, vogels... Ze zitten in hetzelfde muzikale universum waar o.a. ook Neil Young, Tom Waits, Giant Sand, Flaming Lips en Hellwood geregeld ronddarrelen. Linkous was ook drijvende kracht achter 'Covered Discovered: The late great Daniel Johnston', de tribute-plaat van die andere zonderling waarop hij, samen met Flaming Lips zanger Wayne Coyne het Johnston nummer 'Go' onder handen neemt.
Het optreden was goed maar net iets tè berekend. We houden wel van wat onvoorziene omstandigheden op het podium. Mark Linkous had een perfect uitgebalanceerde liveset samengesteld waaruit gretig uit de vier Sparklehorse platen geplukt werd.Voor één nummer werd Sol Seppy terug het podium op geroepen (ze zong in het verleden al backing vocals bij Sparklehorse) en wat volgde was een samenzang die ons zowaar gelukzalig deed meewiegen. Na een drie jaar durende depressie, waarbij Linkous zich in zijn studio in de bergen van North Carolina terugtrok en enkel nog naar Beatles platen luisterde, is Sparklehorse terug onder de levenden met, op drummer Scott Minor na, een volledig nieuwe band. Na een meer dan uitbundig applaus prevelde de man in de microfoon dat het good to be back was.
We gunnen het hem van ganser harte.

Delon Goodbye



"There is no solitude greater than the samurai's, unless perhaps it be that of a tiger in the jungle."


Alain Delon is tot op de dag van vandaag nog steeds één van de meest bekende Franse acteurs. Op zijn 22ste werd hij al bestempeld als het Franse antwoord op James Dean. Omdat hij niet om zijn uiterlijk beoordeeld wilde worden, koos hij zorgvuldig voor rollen die hem een uitdaging leken. Zijn voorkeur ging naar geboefte van divers alooi en zijn talent bestond erin bij het publiek sympathie los te weken voor de meest koelbloedige schurk. Tijdens zijn lange carrière werkte hij met een reeks legendarische regisseurs, onder wie Luchino Visconti, Jean-Luc Godard, Jean-Pierre Melville, Michelangelo Antonioni, en Louis Malle de voornaamste zijn.

Delon werd geboren in 1935 te Sceaux, een buitenwijk van Parijs. Zijn ouders scheidden toen hij nog jong was. Zowel in diverse katholieke scholen als in het leger werd hij 'ontslagen wegens intolerant gedrag'. Daarna werkte hij als portier, kelner en winkelbediende. Tot hij de actrice Brigitte Auber ontmoette en na een gezamelijke trip naar het filmfestival van Cannes gingen de poppetjes aan het dansen toen hij opgemerkt werd door een talent scout.

Zijn eerste belangrijke film was 'Purple Noon', een adaptatie van Patricia Highsmith's roman 'The Talented Mr. Ripley'. Hierna stonden de regisseurs in rij aan te schuiven om te werken met Delon. De meest volhardende onder hen was Jean-Pierre Melville. Melville maakte met hem 'Un Flic', 'Le Cercle Rouge' en 'Le Samourai'. Deze laatste wordt door velen als het magnum opus van de acteur beschouwd.

In 'Le Samuraï' volgen we de nauwgezette huurdoder Jef Costello, die werkt volgens een stricte code. Hij woont in een Spartaans ingericht appartement met als enig interieur enkele flessen water, pakjes sigaretten en een vogelkooi. Het openingsshot is subliem: de protagonist ligt in bed te roken en de tekst uit het eeuwenoude Bushido boek, een schriftuur met samoeraï codes, vershijnt in beeld (zie quote bovenaan). John Woo's 'The Killer', is ongetwijfeld geïnspireerd door 'Le Samouraï'. Als eerbetoon liet Woo zelfs verschillende namen van personages uit 'Le Samouraï' in zijn film terugkomen. Ook Jim Jarmusch stak zijn admiratie niet onder stoelen of banken. In 'Ghost Dog: The Way of the Samurai' is het hoofdpersonage een eenzame huurmoordenaar die handelt volgens de regels van de bushido code.

Little Axe: de Skip toets

These are demon days, can't you see
It's time of chaos, rage and anxiety

If I had my way
I'd tear the building down


Skip McDonald (zie ook: Mark Stewart & The Maffia) slaagt er sinds 1994 in met zijn groep Little Axe de blues te herdefiniëren. Inmiddels is er 'Stone Cold Ohio', het vijfde Axe album en wederom scharen bassist Doug Wimbish en groovemeester Keith LeBlanc zich aan de zijde van McDonald, geruggesteund door On-U goeroe Adrian Sherwood achter de knoppen. Het drietal staat tevens vereeuwigd in de analen van de hiphop als de ritmesectie van Sugar Hill Gangs 'Rappers Delight'. Little Axe staat nog steeds garant voor een stomende fusie van dub, gospel, roots, funk en blues. Of hoe zouden Howlin' Wolf, Ali Farka Touré, Lee 'scratch' Perry en Tricky klinken als ze samen in één band zouden spelen. 'Stone Cold Ohio' is uit op het superbe Real World Records van opper-Head David Byrne. Maandag 30 oktober staan ze in de Orangerie zaal van de Botanique. Breng zelf uw backporch en schommelstoel mee.

Thursday, October 19, 2006

Greatest Hitch


"Drama is life with the dull bits left out"


Vannacht zat elke Hitchcock afficionado om stipt 0u25 (een uur dat brave en hardwerkende mensen al in hun bed liggen), sommigen met een beetje kwijl in de mondhoeken, aan de televisie gekluisterd. Op dat uur begon op Canvas nl. het eerste luik van de tweedelige BBC documentaire 'Hitch', over de master of suspence: Alfred Joseph Hitchcock.

Hitchcock werd geboren in Londen op een zomerdag in 1899. Als jonge snaak had hij een meer dan gezonde nieuwsgierigheid aan de dag gelegd voor zijn omgeving. Op achtjarige leeftijd had hij al elke buslijn in de Britse metropool genomen en elk dok en elke aanlegplaats gezien. Zijn katholieke ouders gingen er prat op dat jonge Alfred een jezuïetenopleiding volgde. Telkens als het knaapje iets had uitgespookt, moest hij van zijn vader met een briefje naar het lokale politiekantoor waar hij vervolgens 10 minuten celtijd kreeg om te bezinnen over zijn zonden. Op veertienjarige leeftijd stierf zijn vader en Alfred moest noodgedwongen de school verlaten. Dit zorgde ervoor dat hij zich ontpopte tot een fanatiek autodidact: hij volgde avondlessen, hij studeerde en las aan een maniakaal tempo. Hij ging zeer vaak naar film en theater en ontdekte dat hij meer dan een matig getalenteerd schrijver was.

In 1920 was Hitchcock vastberaden om de filmindustrie te doorgronden. Het duurde ook niet lang of hij kreeg een baan als Assistant Director aangeboden. Zeven jaar later debuteerde hij zelf met 'The Lodger'. De film was meteen een blauwdruk voor het indrukwekkende oeuvre dat vanaf toen tot stand kwam. Tien jaar, negen stomme en dertien films mèt geluid later zat Hitchcock op de troon van de Britse cinema.

In 1939 verhuisde hij naar de States omdat men hem er meer creatieve vrijheid zou geven. Zijn eerste Amerikaanse film, Rebecca, was al meteen goed voor een Oscar (detail: de award was voor de producent, niet voor de regisseur). Vanaf dat moment hield hij er een werktempo van minstens één film per jaar op na, met als hoogtepunten 'Rear Window', 'Vertigo', 'North by Northwest', 'Psycho' en 'The Birds'. Al deze films behandelden de gevolgen van moord op persoonlijk en sociaal vlak.

Hitchcock had er ook alles voor over om zijn eigen mythe in stand te houden. In interviews sprak hij dan ook steeds in vage, technische termen over zijn films. Hij was ervan overtuigd dat zelf-promotie één van de peilers was van zijn succes. Ondanks dat succes ging Hitchcock zijn leven lang geplaagd onder gevoelens van eenzaamheid en angst voor de dood.